Nieuwsberichten van Adminta

Wettelijk minimumloon omhoog per 1 januari 2017                                                                                                                           Salarisadministratie

Per 1 januari 2017 wordt het wettelijk minimumloon verhoogd met 0,94 procent naar € 1.551,60 voor 23 jaar en ouder. Iedere werknemer heeft recht op een minimuminkomen. Voor werknemers vanaf 23 jaar geldt het wettelijk minimumloon (WML). Bent u jonger dan 23 jaar, dan hebt u recht op het minimumjeugdloon. Bij de hoogte van het minimumjeugdloon wordt gekeken naar hoe oud iemand is. Dat betekent dat u tot uw 23ste na iedere verjaardag recht heeft op meer loon.

Als u in deeltijd werkt, dan is het bruto minimumloon evenredig lager. Als u bijvoorbeeld drie volle dagen werkt, dan hebt u recht op 3/5 van het wettelijk minimumloon. Dit geldt ook voor jongeren die gedeeltelijk leerplichtig zijn en nog enkele dagen per week onderwijs volgen. De bedragen van het minimumloon gelden voor een volledige werkweek zoals die gebruikelijk is in het bedrijf. Meestal is dat 36, 38 of 40 uur per week.

Wettelijk minimumjeugdlonen per 1 januari 2017 Bron: Staatscourant, nr 60172

Het bruto minimumloon per 1 januari 2017, per gewerkt uur bij een 36-, 38- en 40-urige werkweek:

Bruto minimumloon per uur per 1 januari 2017 Bron: Staatscourant, nr 60172

Kosten onderneming niet aftrekbaar als persoonlijke verplichting                                                                                              Inkomstenbelasting

Uitgaven voor scholing kunnen onder voorwaarden een aftrekpost vormen in de inkomstenbelasting. Het moet gaan om de uitgaven die iemand doet voor het volgen van een opleiding, die is gericht op het verwerven van inkomen in box 1. De opleiding kan gevolgd worden om nieuwe vakkennis of bekwaamheid te verwerven, maar ook om bestaande vakkennis of bekwaamheid in stand te houden.

Een procedure voor de rechter ging over de vraag of iemand de door zijn echtgenote gemaakte opleidingskosten in aftrek kon brengen. Opmerkelijk was dat de echtgenote een zelfstandige ondernemer was en dat de opleiding betrekking had op het op peil houden van de vakkennis van de echtgenote. De opleidingskosten vormden dus kosten van de onderneming en konden in mindering gebracht worden op de winst uit onderneming van de echtgenote. Dat had tot gevolg dat de man deze kosten niet als scholingsuitgaven in aftrek kon brengen. Anders dan de man meende heeft hij hierin niet de vrije keus. Het enkele feit dat de echtgenote na toepassing van de zelfstandigenaftrek een zo lage winst had dat aftrek van de gemaakte kosten fiscaal geen nut had, maakte dat niet anders.

Copyright adminta.nl - Alle rechten voorbehouden - Realisatie door Skytz Winschoten